Bestuivers in agrarische, stedelijke en natuurlijke omgeving in Nederland. Aanwezigheid en recente trends

|
Auteurs: Zeegers, T., Takken, K.
|
Rapportnummer: EIS2026-13
Delen via:

Deze studie beantwoordt primair de vraag of er verschillen zijn in de presentie van wilde bijen en zweefvliegen tussen de drie dominante landschapstypen van ons land: agrarisch gebied, stedelijk gebied en natuur. Ook wordt gekeken naar de verschillen in trends tussen deze drie gebieden over de periode 2000 – 2023. De analyse is gebaseerd op de databases wilde bijen en zweefvliegen zoals aanwezig bij EIS Kenniscentrum Insecten. In deze bestanden zitten waarnemingen van 327 soorten bijen verricht tijdens 190.000 veldbezoeken en 300 soorten zweefvliegen verricht tijdens 240.000 veldbezoeken. De berekeningen worden uitgevoerd op de presentie van soorten, dat wil zeggen de gemiddelde kans om een soort tijdens een bezoek aan te treffen.

De presentie in natuurgebieden is voor zowel bijen als zweefvliegen ten minste tweemaal zo hoog als in agrarisch gebied, die in stedelijk gebied ligt nog aanzienlijk lager. Er zijn drie keer zo veel soorten bijen karakteristiek voor natuurgebieden dan voor agrarisch en stedelijk gebied elk, voor zweefvliegen is dit zelfs tien keer. Unieke soorten van zowel bijen als zweefvliegen komen nagenoeg uitsluitend voor in natuurgebieden. In het stedelijk gebied komt een klein aantal unieke, warmteminnende soorten bijen voor.

Trends in presentie van bijen zijn overwegend positief in de periode 2000 – 2023, die voor zweefvliegen overwegend negatief. De verschillen in relatieve trends tussen de drie deelgebieden zijn klein. Trends zijn voor bijen het minst goed in agrarisch gebied, voor zweefvliegen het minst slecht in natuurgebieden.

BEKIJK OOK EENS