De gewone oliekever (Meloe proscarabaeus) en de blauwe oliekever (Meloe violaceus) zijn broedparasieten van ondergronds nestelende bijen en fungeren als indicatorsoorten voor bijenleefgebieden. Beide soorten zijn in Nederland sterk achteruitgegaan. Binnen het project Rijke Dijken van de Delta is onderzocht welke ecologische factoren de geografische scheidslijn tussen deze twee soorten verklaren. Het onderzoek richtte zich op negen locaties in het rivierengebied van Midden- en Zuid-Nederland. De resultaten laten zien dat M. proscarabaeus voorkomt op open, zonnige plekken met structuurrijke vegetatie, vaak nabij molshopen. Hoewel de soort in uiteenlopende habitats is waargenomen, laat zij binnen die variatie een voorkeur zien voor specifieke condities. Gedurende de veldwerkperiode werd M. violaceus vrijwel uitsluitend aangetroffen in vochtige, halfschaduwrijke omgevingen met dichte vegetatie waar gewoon speenkruid (Ficaria verna) groeide. De ecologische scheiding lijkt vooral te worden bepaald door verschillen in microklimaat, vegetatiestructuur, voedselvoorkeur en voortplantingsstrategie. Hun gescheiden voorkomen is waarschijnlijk het resultaat van een combinatie van soortspecifieke voorkeuren, de verspreiding van geschikte habitats in het landschap en historische ontwikkelingen. De resultaten benadrukken het belang van habitatdiversiteit voor beide soorten én voor wilde bijen.