Uiterlijke kenmerken
Het goudoogje is tamelijk variabel. Het is een middelgrote soort met een voorvleugellengte van 10-13 mm. Meestal hebben goudoogjes een groen lichaam met een gele rugstreep en zijn de vleugels geheel groen geaderd. Op de wang is een donkere wangvlek zichtbaar. In de winter verkleuren sommige dieren bruin. Om de soort te kunnen onderscheiden van de meeste andere soorten groene gaasvliegen, kun je kijken naar de zogenaamde intramediane cel van de voorvleugel en een bijbehorende dwarsader. Bij het goudoogje ontspringt deze ader aan of voorbij de punt van deze cel, bij andere gaasvliegen ontspringt de ader binnen deze cel. Een uitzondering vormt de slanke gaasvlieg Peyerimhoffina gracilis, maar deze soort is veel zeldzamer en daarnaast goed te onderscheiden van het goudoogje door de slankere vleugels. De larven van het goudoogje zijn langwerpig en hebben tangen als kaken. Ze zijn gelig gekleurd met twee roodbruine strepen over de rug. Op de kop zijn twee strepen of een uitgebreidere tekening zichtbaar.

Soortencomplex
Het goudoogje is eigenlijk niet één soort, maar bestaat uit meerdere soorten die sterk op elkaar lijken. Ze zijn enkel te onderscheiden op basis van de baltsgeluiden die ze maken om een partner aan te trekken, waarbij ze met hun achterlijf op een blad of ander oppervlak trommelen. Deze geluiden zijn voor de mens niet waarneembaar.
Levenswijze
Het goudoogje is het gehele jaar door overal te vinden, in bossen en op akkers en zelfs binnenshuis. De imago’s leven van pollen en honingdauw. De vrouwtjes leggen eitjes die op een steeltje staan, zodat ze moeilijk te bereiken zijn voor predatoren. De larven zijn niet kieskeurig en ontwikkelen zich in diverse bomen en struiken. Ze voeden zich voornamelijk met bladluizen. Goudoogjes overwinteren als volwassen insect en kunnen dan soms bruin verkleuren, om zo minder op te vallen voor predatoren.
Verspreiding
Goudoogjes komen overal in Nederland in grote aantallen voor. Ook in Europa is de soort wijdverbreid.