Soort

Grote snuittordoder

Cerceris arenaria

De grote snuittordoder (ook wel gewone knoopwesp genoemd) is een zwarte graafwesp van ongeveer 10-15 mm groot met een opvallende gele tekening en een typisch geribbeld achterlijf. De vrouwtjes jagen op snuittorren of bladhaantjes, die ze naar hun nesten brengen als voedsel voor de larven. Grote snuittordoders zijn vooral te vinden op de binnenlandse zandgronden, maar ook in stedelijk gebied zijn ze aan te treffen. De grote snuittordoder behoort tot het geslacht van de knoopwespen (Cerceris). In Nederland komen in totaal acht soorten voor. Ze heten knoopwespen, omdat hun eerste achterlijfssegment sterk ingesnoerd is en daardoor iets wegheeft van een knoop.

Orde: Vliesvleugeligen (Hymenoptera)
Familie: Graafwespen (Crabronidae)
Exoot: Nee
Voorkomen: Algemeen
Habitat: Binnenlandse zandgronden en stedelijk gebied
Dick Belgers

Herkenning

De grote snuittordoder is een grote, zwarte knoopwesp met gele vlekken en strepen op de kop en het borststuk en een geel-zwart gebandeerd achterlijf. De poten zijn grotendeels geel, met zwarte delen. De achterlijfssegmenten zijn sterk ingesnoerd, waardoor het achterlijf een geribbeld uiterlijk heeft. Dit is zeer kenmerkend voor alle soorten knoopwespen, wat ze goed herkenbaar maakt in het veld. Het vrouwtje van de grote snuittordoder is goed te herkennen aan de relatief brede, trapeziumvormige kop in vooraanzicht. Bij de andere soorten knoopwespen is de kop min of meer ellipsvormig. Het mannetje is wat lastiger te onderscheiden van de andere mannetjes knoopwespen. De achterlijfstekening, kleur en vorm van de antennen en kleur van de achterdij zijn hierbij belangrijke kenmerken om op te letten.

Mannetjes en vrouwtjes zijn onderling te onderscheiden aan de hand van het achterlijf. Vrouwtjes hebben namelijk zes achterlijfssegmenten, mannetjes hebben er zeven. Het vrouwtje wordt 11-16 mm groot, het mannetje 9-15 mm.

Het vrouwtje grote snuittordoder heeft een typische brede, trapeziumvormige kop (links) en is daarmee te onderscheiden van alle andere soorten knoopwespen, die een ellipsvormige kop hebben (rechts). Foto’s Bibiche Berkholst.


Levenswijze

De imago’s vliegen van eind mei tot eind september. De soort is gebonden aan droge, warme en zonnige biotopen en komt ook voor in stedelijk gebied. Het vrouwtje graaft een nestgang verticaal in de grond van 10 tot 40 centimeter diep, waar ze enkele nestcellen in aanbrengt. Vervolgens gaat ze op jacht naar snuittorren of soms bladhaantjes, die ze naar het nest vervoerd. Elke nestcel wordt gevuld met vijf tot 12 prooidieren, die dienen als voedsel voor de larven. De soort nestelt in kolonies.


Parasieten

De grote snuittordoder wordt geparasiteerd door de goudwespsoorten Hedychrum nobile en H. rutilans, die hun eigen eitjes in de nestcellen van het vrouwtje deponeren. De larven worden vervolgens opgegeten door de goudwesplarven. Daarnaast zijn er enkele soorten bloemvliegen en dambordvliegen die op dezelfde wijze parasiteren op de larven van de grote snuittordoder.


Verspreiding

De grote snuittordoder komt verspreid over Nederland voor. Op de binnenlandse zandgronden is de soort algemeen aanwezig. Daarnaast komt de grote snuittordoder voor in stedelijk gebied.

Delen via:

Ook interessant