Soorten

In Nederland komen zo’n 27.000 diersoorten voor, waarvan het overgrote merendeel bestaat uit ongewervelden. En daarvan zijn er weer ruim 25.000 insecten. Op allerlei plekken op internet kun je goede soortinformatie vinden, zoals op Waarneming.nl en Nederlandsesoorten.nl. Op die laatste website zijn vooral veel exoten uitgewerkt. Hier op de website van EIS zijn enkele soorten die beleidsrelevant zijn (zoals vliegend hert) of anderszins in de belangstelling staan (zoals de walnoorboorvlieg). In de loop van de tijd zullen nieuwe soorten worden toegevoegd.  

Sjoerd Kaarsemaker

Alle soorten

Dick Belgers (CC BY-NC-ND)

Isodontia Mexicana

De Mexicaanse zwartsteel is een langsteelgraafwesp die sinds 2010 voorkomt in Nederland. Oorspronkelijk komt de soort uit Noord-Amerika, maar de afgelopen decennia heeft ze zich snel verspreid over Midden- en Zuid-Europa. Mexicaanse zwartstelen zijn onder meer te vinden in de nabijheid van bijenhotels, waar de vrouwtjes de holtes gebruiken om hun nestjes in te bouwen.

Dick Belgers

Ancistrocerus parietum

Muurwespen zijn plooivleugelwespen, verwant aan de bekende ‘limonadewespen’. In tegenstelling tot limonadewespen leven muurwespen echter solitair, dus niet in een groot gezamenlijk nest. De wesp is 8 tot 13 mm groot en is lastig te onderscheiden van andere muurwespen, die allemaal een vergelijkbaar patroon op borststuk en achterlijf hebben. De ingesneden muurwesp vangt rupsen van micronachtvlinders en kleine soorten macronachtvlinders. Ze metselt deze vervolgens samen met een ei in, in het nest. Dit nest wordt aangelegd in allerlei bovengrondse holten, bijvoorbeeld in muren en houten palen. Ze maakt ook gebruik van insectenhotels. Als parasiet treedt de goudwesp Chrysis ignita (Chrysididae) op.

Dick Belgers (CC-BY)

Sapyga quinquepunctata

De bonte knotswesp is een slanke, zwarte wesp met witte vlekken op het lichaam. Het achterlijf van het vrouwtje is deels rood van kleur. De wesp is hoofdzakelijk gebonden aan stedelijk gebied en is te vinden in tuinen, in parken en op muren. Bonte knotswespen zijn nestparasieten van metselbijen en zijn daarom vaak te vinden in bijenhotels.

Arnold Wijker

Astata boops

De grote wantsendoder is een graafwesp die met name voorkomt op de Nederlandse zandgronden, maar die ook in stedelijk gebied te vinden is. De soort is ongeveer 10-13 mm groot en heeft een rood-zwart achterlijf. Grote wantsendoders bewegen zich met snelle bewegingen over zanderige bodems. Het vrouwtje jaagt op wantsen, die versleept worden naar een uitgegraven nest en als voedsel dienen voor de larven. In Nederland komen vijf soorten wantsendoders voor uit de geslachten Astata en Dryudella. Hiervan is de grote wantsendoder de algemeenste soort.

Dick Belgers

Cerceris arenaria

De grote snuittordoder (ook wel gewone knoopwesp genoemd) is een zwarte graafwesp van ongeveer 10-15 mm groot met een opvallende gele tekening en een typisch geribbeld achterlijf. De vrouwtjes jagen op snuittorren of bladhaantjes, die ze naar hun nesten brengen als voedsel voor de larven. Grote snuittordoders zijn vooral te vinden op de binnenlandse zandgronden, maar ook in stedelijk gebied zijn ze aan te treffen. De grote snuittordoder behoort tot het geslacht van de knoopwespen (Cerceris). In Nederland komen in totaal acht soorten voor. Ze heten knoopwespen, omdat hun eerste achterlijfssegment sterk ingesnoerd is en daardoor iets wegheeft van een knoop.

Tim Faasen

Melolontha melolontha

De meikever is een grote, opvallende kever die vooral in mei veel wordt gezien. Hij heeft bruine dekschilden, een donker lichaam en opvallende waaiervormige voelsprieten. Meikevers zijn vooral ’s avonds actief en vliegen dan vaak luid zoemend rond bomen en straatverlichting. In Nederland komen vooral de gewone meikever en de bosmeikever voor. De gewone meikever is een algemene soort en komt op veel plekken in Nederland voor. De soort heeft een voorkeur voor bossen en graslanden, maar kan ook in parken en tuinen worden aangetroffen. De larven leven meerdere jaren onder de grond, waar ze zich voeden met wortels van planten en gras. Volwassen meikevers eten bladeren van bomen zoals eiken en berken.

Roy Kleukers

Melolontha hippocastani

De bosmeikever is een grote, opvallende kever die vooral in mei veel wordt gezien. Hij heeft bruine dekschilden, een donker lichaam en opvallende waaiervormige voelsprieten. In Nederland komen vooral de gewone meikever en de bosmeikever voor. De bosmeikever is van de gewone meikever te onderscheiden door de vorm van de punt aan hun achterlijf en de kleurtint van het halsschild (lichter dan bij de gewone meikever). De bosmeikever is een stuk zeldzamer dan de gewone meikever en heeft een sterke voorkeur voor drogere zandgrond. Je kunt de soort aantreffen in de Hollandse duinen en op de Veluwe. De larven leven meerdere jaren onder de grond, waar ze zich voeden met wortels van planten en gras. Volwassen meikevers eten bladeren van bomen zoals eiken en berken.

Daan Drukker

Drepanepteryx phalaenoides

Het bladbruintje is één van de zeldzamere soorten onder de bruine gaasvliegen. Hij is goed herkenbaar aan de aparte vorm van de bruine voorvleugels. Door deze vorm en de ‘nerven’ die over de vleugels lopen lijkt het bladbruintje sterk op een dood blaadje! Daardoor zijn ze moeilijk te spotten, maar ze worden wel door licht aangetrokken. Op nachtvlinderlakens kun je ze dus af en toe tegenkomen.

Pieter van Breugel

Chrysoperla carnea s.l.

Het goudoogje is de meest algemene soort onder de groene gaasvliegen. In de winter kun je ze zelfs binnenshuis aantreffen, waar ze als volwassen dier overwinteren. Goudoogjes hebben doorzichtige vleugels met een dicht netwerk van vleugeladers. Ze zijn groen van kleur en hebben een gele streep over de rug lopen. In de winter kunnen ze soms verkleuren naar bruin, zodat ze minder opvallen.

Bibiche Berkholst

Badumna longinqua

De Australische huisspin komt sinds 2021 in Nederland voor. De oorspronkelijk uit Australië afkomstige soort laat zich makkelijk verslepen en is meegevoerd naar diverse werelddelen via onder meer plantenhandel. De Australische huisspin is veelvuldig te vinden in nabijheid van de mens. Ze bouwen hun web op gebouwen, auto’s, in bomen en struiken. Op sommige plekken kunnen ze massaal voorkomen en daarmee vormen ze een concurrent voor andere (inheemse) spinnensoorten.